Hardlopen na een longembolie

Intussen is het alweer vijf weken verder, nadat bij mij een longembolie werd geconstateerd. Een longembolie, je schrikt je het apelazarus. De naam alleen al klinkt al erg. Als je dan ook nog eens opzoekt wat het precies is en wat het aanricht, dan schrik je nog meer. Waarschijnlijk door het naar huis vliegen na mijn vakantie zijn er bloedklontertjes ontstaan en die zijn vast gaan zitten in de slagaderen bij mijn longen. Dat zorgt ervoor dat je bloed minder zuurstof opneemt en, waardoor precies weet ik niet, dat er ook vocht in je longen ophoopt.

Een trouwe blogschrijver ben ik niet, maar deze ervaring wilde ik toch aan de nullen en enen toevertrouwen!

De verschijnselen…

In het weekend begon het, zaterdagnacht, met een stekende pijn in mijn rechterschouder. “Hè, wat is dit nou. Ooh, ik zal wel verkeerd gelegen hebben”, was dus mijn reactie. Na het innemen van een paar pijnstillers weer in slaap gevallen. Op zondag eigenlijk bijna geen last meer gehad en ’s middags zelfs nog uitgebreid Indisch staan koken. Liep met een klein pijntje in mijn schouder en ik nam me voor om op maandag dan maar een afspraak bij de fysiotherapie te maken. Zondagavond nam ik ook een pijnstiller net voor het slapen gaan. Wat ik precies had wist ik niet, maar ik wilde in ieder geval kunnen doorslapen. Nou vergeet het maar, doorslapen. Ik werd weer ’s nachts wakker met niet alleen weer zo’n stekende pijn in mijn schouders, maar ook rechtsachter net onder/bij mijn ribben. Allebei de plekken een vreselijk stekende pijn en ik merkte dat ik ook niet goed kon doorademen. Het idee van de fysio liet ik varen en ik nam me voor om ’s ochtends direct een afspraak te maken met de huisarts.

Huisarts prik, ziekenhus, prik, prik, prik…

Na een nacht helse pijnen en weinig slaap, wie denkt er direct aan iets ernstigs, belde ik ’s ochtends direct de huisarts. Aan het begin van de middag kon ik terecht. Na de anamnese en enkele onderzoeken keek de huisarts heel bezorgd. “Oei, wat zou het zijn?” Ze zei dat ze dacht aan een longontsteking of zelfs een longembolie. Ze stuurde me direct door voor een uitgebreide bloedcontrole, alles met spoed. Dank u wel, dokter Lems voor het zo accuraat reageren! Na een paar uur wachten (en al googelend zien wat een longembolie dan is) werd ik gebeld. Direct naar het ziekenhuis, want je hebt een longembolie. In het ziekenhuis helemaal doorgelicht en doorgeprikt (au, au, ook een prik voor bloed uit je slagader….). Inderdaad, de diagnose was een longembolie. Direct aan een hoge dosering bloedverdunners en een nacht in het ziekenhuis.

Na vijf weken…

Nu zijn we dus vijf weken verder. Al met al heb ik ontzettend geluk gehad (het naar de Spoedeisende Hulp gaan met de bus en rennen om toch maar de bus te halen was inderdaad niet zo verstandig, Leon, weet ik nu). De bloedverdunners en mijn lichaam hebben voor een groot deel hun werk gedaan. Na een controle vorige week bleek dat het vocht uit mijn longen nagenoeg verdwenen is. Sinds twee weken ben ik ook weer gestart met hardlopen. Het begon toch weer te kriebelen, ik voelde me goed en waarom dan niet heel voorzichtig beginnen.

schermafdruk-2016-10-05-12-27-01Aan de adviezen van de longarts (sorry dokter Hassani) en aan internet heb je niks voor adviezen en ervaringen met longembolie en sporten. “Tja, kijk maar hoe je je voelt. Als je je goed voelt kun je heel voorzichtig beginnen.” Liever wil dan net zo’n helder advies als voor de medicatie, de eerste weken niet sporten en daarna kun je rustig beginnen.

Op 21 september dacht ik, “het is lekker weer, ik ga een rondje rennen!” Nou ja, rennen… Kleine stukjes hardlopen en wandelen tussendoor. Het ging niet onaardig, maar of dit nu werkelijk rennen was?

Elke training net iets meer doen. Nu, na twee weken, heb ik weer het gevoel dat ik echt een stuk gerend heb! Yes! Heb een intervaltraining gedaan met 10 intervallen van 2½ minuut rustig en dan een ½ minuut snel. Het was zwaar, dat klopt, maar mijn lijf, leden en longen hebben het gehouden. De snelle stukken waren in een redelijk tempo (okay, nog niet zo lang geleden liep ik tien kilometer in dat tempo). Het belangrijkst voor mij was of ik het aankon. En het ging!

Snelheid en duur heb ik nog steeds niet. Wel heb ik weer mijn hobby terug en heb ik ook de lol terug. En inderdaad, dokter Hassani, je moet gewoon voelen of je weer kunt gaan sporten en dan zien hoe het gaat. Een klinkklaar advies voor sporten na een longembolie is er niet, dat kun je ook nalezen op het internet. En nu dus ook met mijn verhaal.

5 oktober 2016, Leon

 

Recent geslaagde chauffeurs van het platteland zijn niet voorbereid op de stad

rijbewijs7“Het verschil in slagingspercentage tussen het CBR-centrum met de beste cijfers (Almelo, 61,2%) en met de slechtste cijfers (Rotterdam, 37,8%) bedraagt bijna 25 procentpunten. Daarnaast trekken de centra in Noord-Holland en Zuid-Holland het landelijk gemiddelde voor praktijkexamens B met bijna vier procent naar beneden. Dat blijkt uit een data-analyse van CBR-cijfers door VerkeersPro. Het CBR kan de verschillen niet verklaren.” (uit: Slagingspercentages door heel Nederland mijlenver uit elkaar).

Cijfers, tabellen en figuren die aanzetten tot nadenken

Cijfers, figuren en tabellen blijven altijd boeien. Zeker als je iets leest, waarbij verklaringen en reacties je verder aan het denken zetten en waarbij je het gevoel hebt dat er meer achter zit. Dit had ik weer bij het lezen van het artikel Slagingspercentages door heel Nederland mijlenver uit elkaar. Dit artikel verscheen 29 oktober 2015 op VerkeersPro.nl. Vooral intrigerend is de conclusie van het CBR dat men de verschillen niet kan verklaren, aangezien examinatoren overal gelijke normen hanteren. Maar als dat dan zo is, is dat dan niet het probleem? Het aantal verkeersdeelnemers en de complexiteit van de verkeersituaties is niet overal gelijk. Zou dit dan misschien (een deel van) de verklaring zijn? Dit noopt tot verder onderzoek en analyse!

Stedelijkheid en slagingspercentage hangen samen

Zoals gezegd, dit noopt tot een nadere analyse. De cijfers van het slagingspercentage heb ik gecombineerd met cijfers van het CBS over omgevingsadressendichtheid (OAD, een maat voor het gemiddeld aantal adressen binnen een straal van 1 km.), stedelijkheid, afstand tot voorzieningen, etc. De cijfers van het CBR heb ik enigszins gecorrigeerd: de cijfers van het CBR gaven de exacte locatie van het CBR-kantoor, maar ik heb deze aangepast naar de meest waarschijnlijke grote kern/stad waar het examen gereden zal worden. Bijvoorbeeld, in de cijfers wordt Schalkhaar gegeven, maar meest waarschijnlijk rijdt men dan af in Deventer. Of bijvoorbeeld, als men het examen moet afleggen in Horn, zal men een route rijden in Roermond (weet ik uit eigen ervaring).
Met deze correctie vind ik een verassend sterke correlatie tussen slagingspercentage en OAD (-0.596 met een statistische significantie van 0,01). Dit betekent dus dat hoe hoger de omgevingsadressendichtheid des te lager is het slagingspercentage. Dit kan verduidelijkt worden met het volgende spreidingsdiagram:

slagingspercentage met OAD

Bovenstaand plaatje blijft natuurlijk nog een zoekplaatje, daarom heb ik de OAD ook nog ingedeeld in stedelijkheidsklassen, zoals het CBS ook doet. Statistisch is dat dan ook weer leuk, omdat je dan een variantie-analyse kunt uitvoeren. Met zo’n variantie-analyse kun je toetsen of er een verband tussen variabelen is, maar ook of de klassen van een variabele (in dit geval stedelijkheid) afzonderlijk van elkaar verschillen in slagingspercentage. Niet verwonderlijk blijkt er een verband tussen stedelijkheid en slagingspercentage te bestaan en het slagingspercentage in de zeer stedelijk gebieden wijkt (significant) van de matig – en sterk stedelijke gebieden!stedelijkheid en slagingspercentage

Naast OAD als maat voor drukte in een gebied heb ik ook nog gekeken naar andere kenmerken die eventueel iets kunnen zeggen over de drukte in een gebied en de complexiteit van de verkeerssituatie (zoals afstand tot voorzieningen, afstand tot snelweg, etc.). Hier vind ik nergens (statistische) verbanden, wat ook wel te verklaren is: De CBR-kantoren liggen alle nabij of in stedelijke centra in Nederland. Deze centra zijn bijna zonder uitzondering alle goed ontsloten (dus dicht nabij een snelweg) en hebben alle voorzieningen in de kern zelf of zeer dichtbij.

Recent geslaagde chauffeurs van het platteland zijn niet voorbereid op de stad

Wat betekenen de gevonden verbanden? Ik wil natuurlijk niet over geografische determinantie gaan spreken, waar je woont bepaalt niet of je een betere chauffeur bent. Wel geeft het verband met de drukte in de omgeving te denken. Afrijden in een van de grote steden in de Randstad heeft een verband met het slagingspercentage. Als examinatoren van het CBR dus gelijke normen hanteren, betekent dit dan dat een recent geslaagde uit bijvoorbeeld Terneuzen slechter voorbereid is op een drukke en complexe verkeerssituatie? Ik kan me niet voorstellen dat een examinandus uit een minder stedelijk gebied gemiddeld een betere chauffeur is, hoogstens dat hij/zij tijdens zijn examen minder met drukke en complexe verkeerssituaties te maken krijgt en dus een lagere kans op het maken van een fout heeft.

Met andere woorden, er lijkt een grote regionale ongelijkheid in het slagen voor je rijbewijs te zijn. De examinatoren van het CBR toetsen dan misschien wel met gelijke normen, maar de omstandigheden verschillen! En dan verder doorredenerend: wordt een potentiële chauffeur in de Randstad alleen al doordat hij/zij afrijdt in de Randstad door het CBR hierdoor op extra kosten gejaagd?
Het hanteren van gelijke normen is rechtvaardig, maar het niet corrigeren voor verschillen in omstandigheden lijkt te leiden tot een regionale ongelijkheid!

Sociale verhuurder wordt beheerder winkelcentrum?

(Deze blog is in bewerkte versie verschenen bij CorporatieNL)

Online thuiswinkelen en de veranderingen in de detailhandelwereld hebben tot gevolg dat steeds meer (kleine) winkels in wijken en winkelcentra verdwijnen, en plaatsmaken voor grotere, onpersoonlijke ketens. En dat heeft weer een negatieve invloed op de leefbaarheid van een wijk.

Sociale verhuurders kunnen op die ontwikkeling inspelen, er meer doen dan alleen het verhuren en onderhouden van de eigen woningvoorraad. Wat dan? Bijvoorbeeld door meer aandacht  te geven aan leefbaarheid, bevolkingssamenstelling en de (openbare) ruimte rond de woningvoorraad.

Veranderingen in bestedingen…

De detailhandel wordt geconfronteerd met grote veranderingen in het koopgedrag van consumenten. De consument koopt steeds vaker online: volgens Gfk is twintig procent van het bedrag aan consumptieve bestedingen via internet besteld. Dit aandeel groeit nog steeds. Logisch; men koopt liever thuis op de bank met een kop thee en een iPad, dan een dag moeten besteden in een drukke winkelstraat.

…en detailhandelstructuur

Deze trend van het groeiend aandeel in online aankopen komt bovenop de schaalvergroting en de structuurverandering in de detailhandel. De structuurveranderingen in detailhandel betreft het grotendeels verdwijnen van videotheken, cd-winkels, reisbureaus en bankfilialen. Telefoonwinkels en bijvoorbeeld kappers en (viED_EYECATCHER_7395_1079874antage)winkels zijn voor een deel in de leegkomende panden getrokken. Maar natuurlijk niet overal. De schaalver
groting heeft vooral zijn effect gehad op het grotendeels verdwijnen van de buurtsuper, buurtslager, groenteboer enzovoort. Grote supermarktketens zijn in het zogenaamde winkellandschap steeds belangrijker geworden.

Kleine dorpen en kernen en kleinere buurtwinkelcentra hebben in het (recente) verleden het sterkst te maken gehad met deze effecten van schaalvergroting: veel kleine kernen en dorpen hebben al geen winkels meer. Ook in buurt- en wijkwinkelcentra laten deze gevolgen zich voelen: veel kleine winkelcentra zijn of worden ‘gesaneerd’ – met andere woorden afgebroken of sterk verkleind.

Emo-winkelen

Momenteel en in de nabije toekomst zullen de effecten van veranderingen in consumenten koopgedrag en de effecten van de veranderingen in de detailhandelstructuur tot meer gevolgen leiden. Hoogleraar bedrijfskunde Molenaar van de EUR voorziet dat consumenten enerzijds meer zullen gaan ‘emo-winkelen’, dat wil zeggen winkelen in de vrije tijd, waarbij winkelen gecombineerd wordt met cultuur-, museum- en/of horecabezoek. Anderzijds zullen consumenten steeds zakelijker worden in hun aankopen: informatie: men is kritischer, vergelijkt op internet prijzen en zoekt daar ook recensies op.

Een rol voor sociale verhuurders?

Een belangrijk resultaat van deze ontwikkeling is dat het winkelaanbod in kleine winkelcentra verder zal verschralen en/of dat kleine winkelcentra ophouden te bestaan. Dit heeft een grote invloed op wijken en de leefbaarheid in deze wijken (ik focus me nu vooral op wijken en niet meer op dorpen en kernen). Een winkelcentrum heeft naast een wijkhuis een grote invloed op de leefbaarheid. In een wijkwinkelcentrum komen wijkbewoners elkaar tegen. Sociale contacten zijn, naast veel andere zaken, uitermate belangrijk voor de leefbaarheid in een wijk. Als nu deze wijkcentra een kwijnend bestaan dreigen te gaan lijden of zelfs verdwijnen, is hier volgens mij een (nieuwe) rol weggelegd voor sociale verhuurders. Sociale verhuurders die lokale initiatieven stimuleren ervoor kunnen zorgen dat wijkcentra een rol blijven vervullen voor de leefbaarheid binnen wijken.

Wat vindt u?

Er bestaan natuurlijk al initiatieven van sociale verhuurders. Hoe staat het met de plannen, ontwikkelen en publicaties van sociale verhuurders die een rol willen nemen in het stimuleren van wijk- en buurtwinkelcentra? We zijn benieuwd naar uw reacties.

 

Leon Crommentuijn

De Zelfrijdende Auto

Wat lijkt me dat heerlijk: al rijdend in je auto hoef je je niet te bekommeren om het sturen, de snelheid, het overige verkeer, etc. Verder ook geen verwijten meer van passagiers dat je alleen maar rondom aan het kijken bent naar het landschap, een nieuwe brug, een nieuw gebouw, het uiterlijk van het geluidsscherm, allerlei zaken buiten het verkeer op de weg. Kortom, lekker mobiel met je zelfsturende auto.

toekomstvisie mobiliteitGisteren de publicatie van het KennisinstituutMobiliteit gedownload (zie pdf van deze studie). Er worden vier scenario’s geschetst voor mogelijke veranderingen in mobiliteit. Een zeer interessante studie en de moeite waard om te lezen. In het begin wordt direct een belangrijk probleem bij toekomstverkenningen aangestipt: kijkend naar de toekomst, ga je uit van de huidige situatie. De toekomst wordt wel geschetst inclusief nieuwe uitvindingen, maar het is moeilijk voor onderzoekers en wetenschappers om in dergelijke studies al te futuristische en volledig nieuwe ontwikkelingen op te nemen.
Een eigen voorbeeld maakt dit duidelijk: ik ben opgegroeid in de tijd dat The Thunderbirds op t.v. waren. Inderdaad werd hier een heel futuristische toekomst geschetst. Volgens de makers speelt het in de 21e eeuw en ze zijn er niet duidelijk over of het nu 2026 of 2065 moet zijn. Maar als je naar beelden terugkijkt, zie je dat de makers geen weet hebben gehad van de ontwikkelingen in de telefonie: als er gebeld wordt, neemt men de hoorn op die nog met een kabel aan het toestel vastzit. Mobiele telefonie bestaat nog niet en er is ook niet aan gedacht dat dit zo’n vlucht zou nemen als het gedaan heeft.

Bovenstaande voorbeeld kan de makers van The Thunderbirds natuurlijk niet worden aangerekend, maar het illustreert dat a) niet alle veranderingen te voorzien zijn, en b) de veranderingen in de mobiele telefonie (en internet, wifi, bluetooth, etc.) de laatste 10-15 jaar heel hard zijn gegaan: Mijn kinderen vragen zich nog steeds af hoe het überhaupt mogelijk was om 30 jaar geleden (toen ik studeerde) met iemand ergens af te spreken zonder dat je elkaar continu kon bellen, chatten, etc.

Terugkomend op de studie van het Kennisinstituut Mobiliteit: de veranderingen in mobiliteit die geschetst worden zijn niet dat er volledig nieuwe ontwikkelingen in mobiliteit zijn. De geschetste scenario’s geven een beeld dat bepaalde (huidige) ontwikkelingen zich in de toekomst sterker zullen profileren. ‘Echte’ grote paradigmawisselingen in mobiliteit en nieuwigheden staan er niet in. Nu denk ik, dat dit ook tot 2030 (nog) niet zal plaatsvinden. Het huidige asfalt ligt er en zal niet binnen vijftien jaar veranderd zijn. Het huidige wagenpark zal voor een deel ook nog in 2030 (kunnen) rijden met de huidige kwaliteit van auto’s. Desalniettemin verwacht ik wel een grote verandering in mobiliteit: nieuwe ontwikkelingen in draadloze communicatie en gebruiksmogelijkheden hiervan gaan tegenwoordig zo snel dat dit wel een uitwerking moet hebben op (auto)mobiliteit. Zelf spreekt mij dus de zelfrijdende auto het meest aan: wel het genot van je eigen koekblik, maar je niet druk hoeven te maken om alle handelingen met het rijden in het verkeer. Zalig lijkt me dat!

Leon Crommentuijn is lid van het Adviesteam Beter Benutten. Voor meer informatie, ga naar www.adviesbb.nl

Adviesteam Beter Benutten van start

Op de landelijke Resultatendag van het programma Beter Benutten van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, is het Adviesteam Beter Benutten van start gegaan. Het team is een nieuw samenwerkingsverband van – veelal zelfstandige – professionals met ruime ervaring met het programma. Samen vertegenwoordigen zij alle expertises die belangrijk zijn voor het programma: van marketing & communicatie tot verkeersmanagement en van gedragspsychologie tot werkgeversaanpak.

 
Het team bestaat uit de volgende leden en expertises:
Djaminah Clarkson: Communicatie
Leon Crommentuijn: Reizigerspanels, enquêtes, segment-reisstijlen
Christiaan Deters: Innovatieve aanbestedingen
Johan Janse: Burgerparticipatie, duurzame mobiliteit, zelfrijdende
Bart de Haan: Communicatiestrategie, reizigersaanpak
Marc de Haan: Gedragspsychologie en mobiliteit
Etienne Kreutzer: Gedragbeïnvloeding, gamification
Ruben Loendersloot: Verkeersmanagement, parkeren en ITS Fiets
Rob Ogink: Evaluaties, spitsmijden, fiets en openbaar vervoer
Roger Theunissen: Werkgeversaanpak, parkeren en alternatief vervoer
Bas Witte: Werkgeversaanpak, marketing
Alex van der Woerd: Bouwlogistiek, stedelijke bereikbaarheid, evenementen
Beter Benutten-regio’s kunnen bij het Adviesteam niet alleen terecht voor advies op maat, maar ook voor tijdelijke ondersteuning.

Over Beter Benutten
In Beter Benutten werken Rijk, regio en bedrijfsleven samen om de bereikbaarheid in de drukste regio’s over weg, water en spoor te verbeteren. In het vervolgprogramma Beter Benutten wordt vooral de nadruk gelegd op maatregelen die de reiziger in staat stellen op een slimme manier snel op de bestemming te komen. Door een gezamenlijke investering van 600 miljoen euro in de periode 2014-2017 willen de partijen 10% reistijdverbetering van deur tot deur in de spits in de drukste gebieden realiseren. De partijen richten zich samen op de ontwikkeling van multimodale reisinformatiediensten en inzet van in-car technologie. Daarnaast slaan de regio’s de handen ineen op een aantal belangrijke thema’s: fiets, logistiek, parkeerbeleid, evenementen, werkgeversaanpak, onderwijs en spitsmijden. Beter Benutten vraagt om het veranderen van gewoonten en patronen. De reiziger wordt een ruimere keuze en meer alternatieven geboden om de spits te mijden.

Voor meer informatie, ga naar www.adviesbb.nl

Een wijze les: honden, hondenbezitters en hardlopers

Het leven als Zelfstandig Professional is veelzijdig. Administratie, acquisitie en alle andere bezigheden voer je voornamelijk zelf uit. Je hebt veel vrijheid, maar er moet natuurlijk ook brood op de plank komen. De website hou ik ook zelf bij, maar deze, ik geef het toe, wordt te weinig bijgewerkt. Mijn voornemen om in ieder geval elke maand een blog op de website te posten……<leesverder>

Je snapt het, de ambitie is er, maar het gebeurt dus niet om het voor elkaar te krijgen. Deels omdat ik voor mezelf de lat altijd heel hoog leg. Als ik een blog schrijf, moet deze volledig onderbouwd zijn met literatuur en cijfers en statistiek en figuren en van alles en nog wat. Gevolg is dat ik een tiental half uitgewerkte blogs heb, maar niet tot een definitieve versie kom. En het werken als Zelfstandig Professional leidt er dan ook weer toe, dat er weer een andere klus komt en de tijd voor de blog er niet meer is.

Een zijpad

De vrijheid van Zelfstandig Professional leidde er vanochtend toe dat ik voor een klein uurtje hardlopen mijn hardloopkloffie en dito schoenen aantrok en vol goede moed de bossen bij Bilthoven in liep.
Het hardlopen kent bij mij een enigszins vergelijkbare ambitie als bij mijn website en blogs. De lat leg ik voor mezelf altijd hoog, maar helaas komt er in het hardlopen ook af en toe de klad in. Het lijf wordt natuurlijk ook wat ouder. Kleine pijntjes en kwaaltjes worden eerder blessures.

Gelukkig heeft mijn verblijf bij Rob Veer in Chaugey (zie RobVeer.com) en de trainingen met en van Rob er weer toe geleid dat ik mijn frequentie van hardlopen weer naar drie keer per week heb kunnen schroeven.
Ik was dus vanochtend in het bos, toen ik mijn wijze les kreeg. Na deze les liep ik verder en kwam tijdens mijn rustige duurloop met een goed idee. Waarom schrijf ik over mijn ervaring niet een blog en post ik deze op mijn website? Zo kan ik mijn website weer meer up-to-date houden, schrijf ik toch een blog. Verder leg ik dan de lat weer wat lager, door over ‘gewone’ onderwerpen te schrijven. Ik jat dit idee van mijn oud-collega Frank van Dam (Fietsen met Frank). Frank schrijft leuke verhalen over (helaas) fietsen en niet hardlopen.

De Wijze Les

hond2

Kom ik nu tot de wijze les: na mijn warming-up en oefeningen, loop ik naar de Visserssteeg in De Bilt en begin mijn hardlooptraining. Vandaag heb ik uit het schema van Rob Veer gekozen voor een rustige duurloop van 45 minuten met om de 15 minuten een halve minuut versnellen. Niet al te moeilijk en ik verheug me op mijn duurloopje. Het is heerlijk weer en mijn route leidt me eerst over het grote veld in het bos. Ongeveer honderd meter verderop zie ik een stel vrouwen staan, de vrouwen praten met elkaar en een stel honden loopt er omheen. Op het moment dat ik de vrouwen voorbij loop, stuift er een Suarez op vier poten met een soort Van Persie-snoekduik richting mijn hak. Ik voel de tanden van de hond in mijn schoen, gelukkig niet in mijzelf. Ik stop en gelukkig bijt de hond niet nog eens. Een vrouw loopt op me af, ik denk de eigenares van de hond. Ik zeg tegen haar dat ze haar hond in toom moet houden. Waarschijnlijk ook nog gevolgd door een krachtterm…… De vrouw zegt tegen me dat dit een hondenlosloopgebied is. En ze vraagt me hoe ik het in mijn hoofd haal om daar te gaan hardlopen. Enigszins beduusd loop ik verder. Na dit voorval kom ik gelukkig weer snel in de ‘hardloopdenkstand’. Het begint ermee dat ik me voorneem dit voorval op te schrijven, de rest heb je al gelezen.

Mijn wijze les van vandaag is dat je dus wel moet hardlopen in een hondenlosloopgebied. Hondenbezitters hoeven niet hun hond in toom te houden!

Juist geen probleem in de krimpgebieden?

Verplicht woningen verkopen is een rare maatregel. Laatst las ik een reactie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (d.d. 8 februari 2012) op het wetsvoorstel hierover van Minister Spies van Binnenlandse Zaken. Vooral de motivatie van de krimpgemeenten hierover vond ik intrigerend, maar klopt deze motivatie wel? Worden krimpgemeenten extra hard getroffen als corporaties verplicht woningen te koop dienen aan te beiden…..<lees verder>

De Minister van Binnenlandse Zaken heeft een wetsvoorstel gemaakt waarin gesteld wordt dat corporaties verplicht minimaal 75% van hun woningvoorraad te koop dienen aan te bieden. Het VNG stelt dat dit desastreuze gevolgen kan hebben, met name voor krimpgebieden. Het VNG vreest een toename van de leegstand en een verslechtering van de situatie voor eigenaar-bewoners. Door de toename van het aanbod van met name goedkopere eengezinswoningen zal dit de prijs van woningen nog verder drukken en leiden tot een verdere afname van de doorstroming in de koopsector.

Alleen komt deze ontwikkeling eerder overeen met de bestaande praktijk in krimpgemeenten dan dat het een schrikbeeld is! Één van de problemen in de krimpgebieden is leegstand, maar is er nu ook al een desastreuze leegstand?

De ontwikkelingen

Het aandeel koopwoningen in Nederland is gestegen van 43% in 1985 naar bijna 59% in 2010 (Bron: CBS). Als contramal is het aandeel corporatie woningen afgenomen, van 39% in 1985 naar 32% in 2010 (Bron: CBS). De ontwikkeling in de krimpgemeenten komen vrijwel exact overeen met het landelijke gemiddelde, het aandeel corporatiewoningen in de krimpgemeenten neemt af van 39% in 1985 naar 31% in 2010.

Achter deze ontwikkeling van het aandeel corporatiewoningen verschuilt zich iets heel anders: In krimpgemeenten is er zowel een absolute als relatieve afname van corporatiewoningen. Krimpgemeenten zijn al jaren gemeenten waar de woningbehoefte achter blijft bij de landelijke ontwikkeling en deze gemeenten kennen dan ook een naar verhouding geringe toename van de woningvoorraad. Tussen 1985 en 2010 neemt de woningvoorraad in krimpgemeenten toe met 18% tegenover een stijging van 36% voor Nederland gemiddeld (zie figuur). De toename van de koopvoorraad is veel sterker dan de voorraad in beheer van corporaties. Nationaal is de het totaal aantal woningen van corporaties toegenomen met 11%, in krimpgemeenten nam deze af met 6%.

De verkoop van corporatiebezit speelt al geruime tijd. In de krimpgemeenten heeft dit (samen met sloop) geleid tot een afname van het bezit van corporaties, zowel absoluut als relatief.

Effect verkoop sociale huurwoningen

Het verplicht verkopen van corporatiebezit leidt (meestal) tot de verkoop van het meest courante deel van het bezit. In krimpgebieden kan dit tot verdergaande spanningen en problemen leiden. Het VNG stelt dan ook dat “… een belangrijk aandeel van het huidige overschot in de koopsector […] voormalige sociale huurwoningen [betreft].

Toch denk ik dat dit laatste schromelijk overdreven wordt. De cijfers bewijzen dit ook. Het lijkt mij niet aannemelijk dat de afname van het corporatiebezit van de afgelopen decennia debet is aan het genoemde probleem in krimpgemeenten. Als gemeenten en/of corporaties in krimpregio’s hier anders overdenken, wil ik dit graag verder uitdiepen.

Uiteraard heeft een verplicht te koop aanbieden van corporatiewoningen andere effecten in krimpgemeenten dan in andere delen van het land. Maar de cijfers laten zien dat in veel krimpgemeenten al langer significante delen van de corporatievoorraad verkocht worden. Deze ervaring met een absolute afname van het aantal huurwoningen kan uitermate nuttig zijn voor alle andere gemeenten in Nederland. Het wetsvoorstel is dan wel een wijziging van het nationale beleid, maar de praktijk voor krimpgemeenten zal hierdoor niet veel veranderen.

Gemeenten en corporaties in krimpregio’s kunnen met hun ervaring beter andere gemeenten adviseren dan op voorhand om een uitzonderingspositie vragen.

Onderzoek voor ZorgSubsidieKalender

De ZorgSubsidieKalender geeft een nieuwsbrief uit over nieuwe en actuele subsidiemoge­lijkheden in Zorg en Welzijn. Om de nieuwsbrief nog beter te laten aansluiten bij de wensen van de lezers, heeft LC-OnderzoekenMeer een onderzoek uitgevoerd. Via een webenquête hebben lezers kunnen reageren. De resultaten van deze enquête en de analyse kunt u vinden in de rapportage.

Braak

Denkend aan Holland, zie ik grote terreinen, begroeid met onkruid en rondom een hek …..

De crisis op de woningmarkt leidt tot steeds meer braakliggende terreinen. Bezitters van deze terreinen binnen de bebouwde kom hebben te weinig oog voor de wijk en de buurt. Met enkele eenvoudige aanpassingen kunnen èn leefbaarheid èn duurzaamheid bevorderd worden.

Read the full post »

Voor wie bouwt u eigenlijk?

Vanaf nu verzorg ik een blog bij CorporatieNL.nl.

Ik heb een eerste blog geplaatst over waar alle huishoudens zijn waar nog voor gebouwd moet worden. De komende 25 jaar moeten er volgens de prognoses nog minimaal 700 duizend woningen bijgebouwd worden. De crisis op de woningmarkt zorgt voor het achterblijven van de productie. Daarnaast staan er steeds meer woningen leeg en wordt er ook nog volop geherstructureerd. Hoe zit het dan met ontwikkelingen in bijvoorbeeld de huursector: neemt de scheefheid toe? Lees meer in de blog op CorportatieNL:

http://www.corporatienl.nl/voor-wie-bouwt-eigenlijk/