Recent geslaagde chauffeurs van het platteland zijn niet voorbereid op de stad

rijbewijs7“Het verschil in slagingspercentage tussen het CBR-centrum met de beste cijfers (Almelo, 61,2%) en met de slechtste cijfers (Rotterdam, 37,8%) bedraagt bijna 25 procentpunten. Daarnaast trekken de centra in Noord-Holland en Zuid-Holland het landelijk gemiddelde voor praktijkexamens B met bijna vier procent naar beneden. Dat blijkt uit een data-analyse van CBR-cijfers door VerkeersPro. Het CBR kan de verschillen niet verklaren.” (uit: Slagingspercentages door heel Nederland mijlenver uit elkaar).

Cijfers, tabellen en figuren die aanzetten tot nadenken

Cijfers, figuren en tabellen blijven altijd boeien. Zeker als je iets leest, waarbij verklaringen en reacties je verder aan het denken zetten en waarbij je het gevoel hebt dat er meer achter zit. Dit had ik weer bij het lezen van het artikel Slagingspercentages door heel Nederland mijlenver uit elkaar. Dit artikel verscheen 29 oktober 2015 op VerkeersPro.nl. Vooral intrigerend is de conclusie van het CBR dat men de verschillen niet kan verklaren, aangezien examinatoren overal gelijke normen hanteren. Maar als dat dan zo is, is dat dan niet het probleem? Het aantal verkeersdeelnemers en de complexiteit van de verkeersituaties is niet overal gelijk. Zou dit dan misschien (een deel van) de verklaring zijn? Dit noopt tot verder onderzoek en analyse!

Stedelijkheid en slagingspercentage hangen samen

Zoals gezegd, dit noopt tot een nadere analyse. De cijfers van het slagingspercentage heb ik gecombineerd met cijfers van het CBS over omgevingsadressendichtheid (OAD, een maat voor het gemiddeld aantal adressen binnen een straal van 1 km.), stedelijkheid, afstand tot voorzieningen, etc. De cijfers van het CBR heb ik enigszins gecorrigeerd: de cijfers van het CBR gaven de exacte locatie van het CBR-kantoor, maar ik heb deze aangepast naar de meest waarschijnlijke grote kern/stad waar het examen gereden zal worden. Bijvoorbeeld, in de cijfers wordt Schalkhaar gegeven, maar meest waarschijnlijk rijdt men dan af in Deventer. Of bijvoorbeeld, als men het examen moet afleggen in Horn, zal men een route rijden in Roermond (weet ik uit eigen ervaring).
Met deze correctie vind ik een verassend sterke correlatie tussen slagingspercentage en OAD (-0.596 met een statistische significantie van 0,01). Dit betekent dus dat hoe hoger de omgevingsadressendichtheid des te lager is het slagingspercentage. Dit kan verduidelijkt worden met het volgende spreidingsdiagram:

slagingspercentage met OAD

Bovenstaand plaatje blijft natuurlijk nog een zoekplaatje, daarom heb ik de OAD ook nog ingedeeld in stedelijkheidsklassen, zoals het CBS ook doet. Statistisch is dat dan ook weer leuk, omdat je dan een variantie-analyse kunt uitvoeren. Met zo’n variantie-analyse kun je toetsen of er een verband tussen variabelen is, maar ook of de klassen van een variabele (in dit geval stedelijkheid) afzonderlijk van elkaar verschillen in slagingspercentage. Niet verwonderlijk blijkt er een verband tussen stedelijkheid en slagingspercentage te bestaan en het slagingspercentage in de zeer stedelijk gebieden wijkt (significant) van de matig – en sterk stedelijke gebieden!stedelijkheid en slagingspercentage

Naast OAD als maat voor drukte in een gebied heb ik ook nog gekeken naar andere kenmerken die eventueel iets kunnen zeggen over de drukte in een gebied en de complexiteit van de verkeerssituatie (zoals afstand tot voorzieningen, afstand tot snelweg, etc.). Hier vind ik nergens (statistische) verbanden, wat ook wel te verklaren is: De CBR-kantoren liggen alle nabij of in stedelijke centra in Nederland. Deze centra zijn bijna zonder uitzondering alle goed ontsloten (dus dicht nabij een snelweg) en hebben alle voorzieningen in de kern zelf of zeer dichtbij.

Recent geslaagde chauffeurs van het platteland zijn niet voorbereid op de stad

Wat betekenen de gevonden verbanden? Ik wil natuurlijk niet over geografische determinantie gaan spreken, waar je woont bepaalt niet of je een betere chauffeur bent. Wel geeft het verband met de drukte in de omgeving te denken. Afrijden in een van de grote steden in de Randstad heeft een verband met het slagingspercentage. Als examinatoren van het CBR dus gelijke normen hanteren, betekent dit dan dat een recent geslaagde uit bijvoorbeeld Terneuzen slechter voorbereid is op een drukke en complexe verkeerssituatie? Ik kan me niet voorstellen dat een examinandus uit een minder stedelijk gebied gemiddeld een betere chauffeur is, hoogstens dat hij/zij tijdens zijn examen minder met drukke en complexe verkeerssituaties te maken krijgt en dus een lagere kans op het maken van een fout heeft.

Met andere woorden, er lijkt een grote regionale ongelijkheid in het slagen voor je rijbewijs te zijn. De examinatoren van het CBR toetsen dan misschien wel met gelijke normen, maar de omstandigheden verschillen! En dan verder doorredenerend: wordt een potentiële chauffeur in de Randstad alleen al doordat hij/zij afrijdt in de Randstad door het CBR hierdoor op extra kosten gejaagd?
Het hanteren van gelijke normen is rechtvaardig, maar het niet corrigeren voor verschillen in omstandigheden lijkt te leiden tot een regionale ongelijkheid!

Comments are closed.